maandag, december 10, 2018

Aforismen       (klik hier voor uitleg)
 
001   Omdat wij anders willen, dient God zo goed te zijn.
002   Het wordt pas bijgeloof, door naast ons geloof te denken.
003   Naargelang wij er innerlijk mee eens zijn, zal het ons uiterlijk minder in verschil wezen.
004   Zolang de mens wil overleven, heeft hij ook zijn overlijden nodig.
005   Zolang wij ons geloof in contrast brengen met ongeloof, zijn ze het geen van beiden.
006   Alleen gedachten kunnen gedenken eens het denken te zijn geweest.
007   “Denken” is voor velen niet aantrekkelijk, daar het voor niemand tijd heeft.
008   Om de zon te waarderen, heeft men regen nodig.
009   Recht: heerst; gebogen: beheerst.
010   Laat wat worden wil geworden, want wat de mens het meest beijvert, is het ploegen in  andermans denken.
011   Het zoeken van de mens begint daar, waar hij het voor gezien houdt.
012   De vrede die men wenst, is niet de vrede die men voorstaat.
013   Liefde ontstaat zodra wij er geen punt meer van willen maken.
014   “Hoop” heeft zijn eigen creatie en kent zijn meester niet.
015   “Vreugde” is de herkenning van het vermoeden dat zij wezenlijk bestaat.
016   Verdriet: neerslag van geluk.
017   De schepping kent geen massa maar verscheidenheid.
018   “Abnormaal” is niet diegene waaraan het wordt toebedacht, maar aan hem bij wie het opkomt.
019   Compost: hemelresten.
020   Het grote misverstand bij rijken is vaak, dat ze denken het al bereikt te hebben.
021   Roest: overleden ijzer.
022   IJs: geschrokken water
023   Storm: haastige zuurstof.
024   Baksteen: kleipartij.
025   Geld: gematerialiseerde arbeid.
026   Suiker: uitgedachte zuurstof.
027   Vuur: geestdrift.
028   “Min of meer” is om het even, al telt ze niet toch is ze alle zeven.
029   Wat recht ontvangen wordt, wordt gebogen verwerkt.
030   Dat men geen wonderen meer signaleert, komt vanwege het feit dat men er aan  gewend is.
031   Wie zich druk maakt om een ander, zit zelf met de moeilijkheid.
032   Koppel niet, want zij wrikt.
033   “Hoop” doet leven; tenminste…dat hoopt men.
034   Het kruis is er op deze wereld om er te zijn en niet om te worden gehanteerd.
035   Inzicht geeft uitzicht.
036   De onmacht van de mens ligt in het feit dat hij er zelf in gelooft.
037   Last wordt een last als men er last van krijgt.
038   Zekerheden zijn schaars, omdat men ze van een ander verwacht.
039   “Oppervlakkigheid” maakt doorsnee mensen.
040   Een dwaas die denkt dat hij het getroffen heeft.
041   “Verworvenheden” laten vaak zien wat een ander behoeft.
042   Een preek verkondigt de spreker, maar ook niet meer.
043   “Genoegzaamheid” breekt zichzelf af.
044   Hars: boomtranen.
045   Zij die de wijsheid nog niet kennen, kijken er tegenaan.
046   Wie het “moment” begrijpt, laat eeuwen liggen.
047   “Onveranderlijk” doet verdichten.
048   Lucht: verdronken water.
049   “Weten” kent geen vragen.  “Denken” zijn “gedachten”voor.
050   Kracht: ruimte tussen twee bewegingen.
051   In de slaap komt men altijd tot zichzelf.
052   Ziekte is afsterven van gebruikte tijd.
053   Tot de ware wetenschap komt men door het af te leren.
054   Kostbaar is, wat zelf kan geven.
055   “Vriendelijkheid” vraagt zich nooit af.
056   Iemand is niemand.
057   Het verlengen van het verleden is het verleiden van het heden.
058   “Klappen” verklaart niets, maar deelt uit.
059   Versmelten: samen wezen hun zelf te zijn.
060   Verrekken: langer laten wat korter is.
061   Verschuilen: laten denken er niet te zijn.
062   Verwezenlijken: grip op grijpen hebben.
063   “Soort” is haar instandhouding, “hoedanigheden” haar ontwikkeling.
064   Onveranderlijk lijkt de mens in zijn veranderen van anderen.
065   Wij hebben er geen idee van als we zeggen dat ideeën geld kosten.
066   Verplichten: meer laten doen dat zij inhoudt.
067   “Zaligheid” is de beleving van velen, nooit van een.
068   Waarheid voedt in die mate waartoe de honger zich laat stillen.
069   Kortzichtigheid: blindstaren.
070   Dat wind zijn streken heeft, kan de mens verhalen.
071   “Toeval” is de steen waarmee de mens zijn denken afsluit.
072   Het stellen van belangen noemt men belangstelling.
073   Neem de herinnering niet op, want zij passeert niet meer.
074   Veel mensen maken zich druk om geen tijd te hebben.
075   Laat twijfel twijfelen, en zij twijfelt nooit meer.
076   Bemoeien is vermoeien.
077   Die wijst, wijst af.
078   Spitsvondig: geslepen “ik”.
079   Wie zich een weet, kan niemand meer passeren.
080   De ware dichter kent geen droge ogen.
081   Ook de diepere zin heeft zijn oppervlakte.
082   Een denker die het is, is heel wat anders dan die het denkt te zijn.
083   “Onbedacht” blijft denkenvermogen.
084   Vergeet het niet: elk lied heeft zijn sleutel.
085   Wie zijn wezen kent, hoeft het niet meer te maken.
086   Een zin heeft pas zin, als ze te denken geeft.
087   Het kompas van onze reis ligt in ieders ziel.
088   Het is de mens die eerst wil uitvinden wat zij morgen is.
089   “Het woord” is niet wat zij betekent, maar wat zij inhoudt.
090   De mens heeft geen ziel; hij is ‘t.
091   De Goddelijke kroon heeft een maat die iedereen past.
092   “Terugslag” geeft branding.
093   Niet wat het oog doet strelen, maar wat haar doet bevelen.
094   Stiptheid fundeert, maar slaat geen bruggen.
095   Het verschil is alleen de schil.
096   “Verhoringen” geven de mens toetsen.
097   Protest: het ongenoegen zichzelf nergens te kunnen plaatsen.
098   Hart: motoriek van de ziel.
099   Een verzonnen verhaal is dichter bij de waarheid dan wij vermoeden.
100  Wat zucht heeft zich gelucht.
101  “Verantwoordelijk zijn voor anderen” is niet door ons te nemen, maar aan de ander te laten.
102  “Vlak” is het begin; “oneffen” door te worden; “vereffend” door te zijn.
103  Dressuur: gecultiveerde vorm van onderwerping.
104  Verandering wekt altijd beroering.
105  Onwetendheid drijft de mens tot cultus.
106  Wie de zon alleen van buiten kent, moet steeds wachten op een wolkenloze hemel.
107  Een gek heeft de mens een hoop te bieden; alleen al door het vermogen eerlijk te zijn.
108  Verdedigingswerken belemmeren al snel het uitzicht.
109  “Vergankelijkheid” is het eeuwig recht van stervelingen.
110  Zolang de mens verbruikt, kent het zijn  vermogen niet.
111  Wie vaak zijn muren zelf moet slechten, zal ook steeds minder hoog gaan bouwen.
112  Mens: transmissie van kracht.
113  Het vitaal tekort van een volk staat altijd naar de grote van zijn bewapening.
114  Het voelen van de zon doet ons des te meer benadrukken.
115  Wie kennis tot zich neemt, wordt zich bewust van wat hij weet.
116  Te weinig werkelijkheid schept idealisten.
117  Wie vrijheid voor zichzelf wil, laat haar aan anderen.
118  Teveel contrast verhard de bast.
119  “Wetenschap bedrijven” is zijn kunnen, niet zijn Weten.
120  Alleen onze ziel kan verwantschap met anderen geven.
121  Waarheid wordt ondervonden, nooit geleerd.
122  Waarheid: tijdelijke begripsvorming van een eeuwig deeltje.
123  Wie van zijn geest bewust wordt, verplicht zich tot niets.
124  Het ware geluk lacht ons niet toe, maar gaat van ons uit.
125  “Genegenheid” is de vrucht van luisteren.
126  Zo de mens zich niet kan veranderen, dan in ieder geval zijn dood.
127  De ware genezer heeft niemand ooit gezien, maar altijd ondervonden.
128  Onder gezond denken kan geen ziekte leven.
129  Wie rijk is zal tevens het vermogen bezitten zijn armoe te verbergen.
130  Wie kennis heeft aan het leven, staat voor niets.
131  Alleen Goddelijke gerechtigheid is buiten alle twijfels.
132  Ware macht is het symbool van beheersing.
133  Een kunstenaar is een meester die zijn leerling weet te volgen.
134  Gedachten hebben hun gangen; denken hun poorten.
135  Kosmos: klein zijn wij in haar; groot is zij in ons.
136  God is dood die zag dat het goed was, en leeft die kan zien dat het goed is.
137  Ruim te denken doet ten volle genieten.
138  Wie het tot gewoonte maakt, blijft er ook mee zitten.
139  Zonder de dood zou het geen kunst zijn om te leven.
140  “Achteruitgang” is ook een opening.
141  De menselijke tong kent nauwelijks rust: als ze het niet voor het zeggen heeft, heeft  ze het maar te slikken.
142  Aforistisch: gecondenseerd “denken”.
143  Een Godvruchtig mens streeft niet meer naar wat hij wil zijn, maar wat hem doet  zijn.
144  Wie op de juiste wijze weet in te haken, kent ook het patroon.
145  Verhoor: woordschaak.
146  Gedenknaalden zijn er alleen om de draad niet kwijt te raken.
147  “Maat” leren we kennen als ze vol is.
148  Schrik doet de mens zichzelf achterhalen.
149  Kunst wat af is, is kunst geweest.
150  Wie anderen misleidt, is ook zichzelf te glad af.
151  Parallellen zijn te verenigen, hun principes niet.
152  Een mens die afstand neemt, heeft veel af te leggen.
153  De menselijke fantasie zal eens realiseren wat zij voor onmogelijk heeft gehouden.
154  Zoals de klok zich aan de tijd verslingert, zo leeft de mens zijn eigen lot.
155  Praten heeft alleen maar zin in regels.
156  Wat ons gestolen kan worden, vindt nooit een dief.
157  Echtwaar kan nooit waar zijn.
158  Wie een kind kan blijven, maakt de grootste kans volwassen te worden.
159  “Zonde” is zonde van de tijd.
160  Principes groeien het hardst bij vastgelopen mensen.
161 Wie innerlijk groeit, heeft zijn lichaam voor de stand van zaken.
162  Luisterrijk: veelzeggende stilte.
163  “Onbegrip” heeft zijn redenaars.
164  Wat men doet om reden, is zijn beleven niet.
165  Gods “zien”doet “zijn”beleven.
166  Het minst begrepen is datgene waar men geen kunst aanvindt.
167  Het leven doet zich niet voor, maar doet zich na.
168  Wie overbodig wordt, is reeds aangenomen door zijn talenten.
169  Het is onmogelijk iets in de gaten te krijgen waar men geen gat in ziet.
170  Wie bang is dat zijn vrijheid wordt ontnomen, is haar niet.
171  Veel verstrooiing doet ongemerkt verliezen.
172  Liefde voegt niets toe, maar betaald zich af.
173  Kenmerk van de eeuwigheid is het heden te zijn.
174  Wat niet buigen wil, zal zich doen verweren.
175  Zolang wij het beheersen, hangt het niet boven ons hoofd.
176  Door lompheid zal men aan een kluit een kluif hebben.
177  Het product van de roddel is de kletsoor.
178  Goed gedrag kent zijn verdragen.
179  Wijd denken doet ons vertakken.
180  Haat heeft aan rood genoeg.
181  Een klager brengt altijd zichzelf aan.
182  Wie zichzelf aan de kook brengt, kan alleen nog popelen.
183  Een “partij” is niet meer dan een grote hoop.
184  Zij die “wegen” hebben ook hun gewicht mee in de schaal.
185  Kijken in stilte is luisterrijk zien.
186  Waar anderen voor opstaan, hebben wij niet wakker van te liggen.
187  Om de stof te regelen hebben we haar op een rij te zetten.
188  “Geboorterecht” is recht op zichzelf.
189  Bemoeizucht kost veel lucht.
190  “Eerlijk doen”is nog niet “eerlijk zijn”.
191  Liefde die niet vraagt, heeft ook niemand van terug.
192  Alleen wat eeuwig is zal de vorm doen verjaren.
193  Wat de geest laat weten is niet te geloven.
194  Wie zich bezwaard voelt, is er tevens mee belast.
195  Dat het geestelijk leven in de aan ons voordoende natuur niet te vinden is, ligt niet   in het feit dat ze het voor ons verbergt maar dat ze het voor ons verbloemt.
195  Zolang wij het inzicht niet hebben, zal het ons tot verbeelding zijn.
196  Verstandigheid geldt alleen in een wereld waaruit zij is gemaakt.
197  Wie het in zijn ziel weet te ordenen, klaart vanzelf op.
198  Hij die zijn ziel gaat openstellen, zal eerst een zucht van “verlichting” slaken.
199  Daar wij onze ziel nog maar nauwelijks kunnen luchten, zijn we er nog al te vaak van buiten adem.
200  Wat ons verschaft is de ziel, maar nochtans willen wij het zelf verdienen.
201  Alleen de kroon van de schepping kan niet worden opgezet.
202  Zodra de mens zwanger wordt van geest, raak hij over tijd.
203  Zonder geest hebben wij ons hart vast te houden.
204  Het voordeel van de twijfel is alleen haar tijd.
205  We krijgen het te doen met wat wij te regelen hebben.
206  Zolang wij niet naar onze geest willen luisteren, zolang hebben wij het hier hooguit  alleen maar voor het zeggen.
207  Zij die wakker worden in hun ziel, kennen een gerust hart.
208  Een onevenwichtige ziel heeft veel van haar woorden te verdraaien en maakt veel  van haar bewegingen verdacht.
209  Hij die veel naar zich toedenkt, zal er een zwaar hoofd in krijgen.
210  Een grote mond laat nooit de ziel uitspreken.
211  Wie overdrijft is voor anderen een nakijken.
212  In het zoeken naar massa, vinden wij alleen gedrang.
213  Waar de mens ook heen vaart in zijn ziel, hij zal nergens stranden.
214  Zo het “denken” naar ons vermogen is, zo zal ons vermogen naar ons “denken”  zijn.
215  Bewustzijn: het totaal aan verloop van tijd.
216  Wie “het leven” wil doorgronden, zal er eerst aan moeten geloven.
217  Scheppend denken: “wie had dat ooit gedacht”.
218  In het aanpakken van een probleem wordt evenzo getild.
219  Het licht van onze hemel is zo licht, dat we er nooit toe zullen komen daarover licht te denken.
220  Het werkelijke leven is zo doorzichtig, dat het ons verstand ontgaat.
221  Ziel: “ze is van binnen,buiten en van buiten, binnen.
222  Zolang wij ons in wezen niet kennen, draaien wij er omheen.
223  Door ons in te laten met geest, vergaat het de tijd.
224  Alleen door geest voor te stellen, komen wij erachter.
225  Geest: het doet ons meer dan we er aan kunnen doen.
226  De geest is zo vluchtig, dat geen mens er aan ontvluchten kan.
227  Hoe minder wij afzien in onze wereld, hoe meer wij onze geest tegemoet komen.
228  Door geest te beroeren, borrelt ze vanzelf in ons op.
229  In de stof benoemen we alles, in de geest mag het geen naam hebben.
230  Juist in wat wij aanleren maken wij ons besmettelijk.
231  Wie buigzaam is voor de geest, zal ook mogen weten wat hij te waaien heeft.
232  Alleen aan de buitenkant van de hemel tekent zich alles af.
233  Wie zijn eenheid de rug toekeert, raakt vanzelf in tweestrijd.
234  Wie toont met zijn geest, heeft de stemming erin.
235  Wie zijn God niet leert bezingen, raakt altijd van de wijs.
236  Kosmische afstanden heeft de mens niet om af te leggen maar om te achterhalen.
237  Wie zijn geest eenmaal heeft aangevraagd, houdt Hem voor altijd aan de lijn.
238  Zolang de mens zijn ware aard niet kent, is hij het in doorsnee.
239  We denken primitief zolang wij daarmee in oorlog zijn.
240  Het land van de stilte heeft haar eigen geluid.
241  Wie met zijn ziel vaart, heeft altijd bolle zeilen.
242  Zo de mens in zijn ziel kan staan, zo staat hij er ook voor in.
243  In luisteren is alles geoorloofd.
244  Kosmische verschijnselen wekken bij de mensheid altijd verbazing, totdat zij het in de gaten krijgen.
245  Zij die menen in deze wereld een enkele reis te maken, zullen eens beseffen dat wij hier allemaal op ons retour zijn.
246  Als er iets niet loont in deze wereld, dan is dat wel onze verdiende loon.
247  In de bloeitijd karakteriseert zich de ziel.
248  Wat God vereeuwigd, dienen wij mee voor de dag te komen.
249  Een rimpelloos leven laat altijd een verstreken tijd zien.
250  Wat God verschaft, schaft nooit.
251  Wat God beoogt, is altijd uitzicht.
252  Wie de geest past, trekt hem aan.
253  Daar wij in God nog sterk wankelen, hebben wij de geest “voor het geval”.
254  Zolang de mens denkt dat hij het voor ’t kiezen heeft, zolang zal hij het voor z,n kiezen krijgen
255  Wie stemt op God, heeft Hem in elk lied.
256  Wie ervoor heeft geleerd, zal geest er op nahouden.
257  Het mooie van alles is, dat het ook lelijk kan zijn.
258  Hij die zijn ziel wil bewijzen, raakt kant nog wal.
259  Met twee wordt het gemeten; met een wordt het geweten.
260  Het bijzondere van gewoon is, dat men zichzelf kan zijn.
261  Wie anderen in betrekt, heeft zich in menigte.
262  Wat kruist zal zich hebben te overbruggen.
263  Een aangrijpend verhaal vraagt altijd om een toegestoken hand.
264  Zolang de mens zich hoogacht, heeft hij met gevallen te maken.
265  Zo wij meer willen dan ons lief is, plegen wij aanslag.
266  Wie het heelal meet, meet zijn bewustzijn.
267  Wie een ander waarlijk wil helpen, zal zichzelf hebben te geven.
268  “Denken” neemt waar, waar gedachte in deelnemen.
269  Waar gedachten zijn, is “denken” allang geweest.
270  Zonder voorspel geen voorspelling; zonder “voorstel”geen “voorstelling”.
271  Hebben wij een vrije wil?; hij is vrij als wij dat willen.
272  Wat stoffelijk niet is uit te spreken, is uitgesproken geest.
273  Geest bevalt niet, maar openbaart.
274  Alleen geest is trouw, omdat het niet te duren heeft.
275  Wie geest van stof aftrekt, komt op nul uit.
276  Zo gesloten gedachten zijn, zo open is het “denken”.
277  “Denken” is niet relatief, daarmee heeft zij de grootste snelheid.
278  Wat in liefde is gebracht, is door de mens het meest verkracht.
279  Zolang wij water niet zien als een zegen, zal het komen als zure regen.
280  We hebben “nu” te leven, en dat vinden wij maar even.
281  Zoals het leven verschijnt, is niet door ons te rijmen; zoals het leven verdwijnt, is niet door ons te lijmen.
282  Alleen door veelheid van blad, komen wij tot “bomen”.
283  We schudden eigenlijk ons hoofd, om met ons nee niet een te hoeven zijn.
284  Zo hij is, zo hij zaait; zo hij doet, zo hij maait.
285  Omdat we het niet konden laten, hebben wij er steeds weer mee te doen.
286  Niets is zo onzinnig als het wisselen van gedachten.
287  Zo de mens zich innerlijk wil toetsen, zo neemt hij het klimaat waarin hij leeft.
288  De mens is van binnen “in” en van buiten “uit”; zit het er niet in, dan komt het er ook niet uit.
289  Als Hij komt zal het geen tijd worden maar licht.
290  Wie zijn eigen natuur wil onderzoeken, die heeft het voor zich.
291  “Denken” doet de mens gedachteloos.
292  Omdat het geloof zo weinig te zeggen heeft, wordt het ons steeds weer aangepraat.
293  De goedkoopste ontspanning is nog altijd de ontspanning van onszelf.
294  We zijn kompleet, en daar zullen wij het mee moeten doen.
295  Het mag geen woord hebben; en dat is ‘t ‘m nu juist.
296  Volheid van geest, daar worden wij verlegen van.
297  Schade aan de ziel, zal met schamen in ons opkomen.
298  We kunnen beter op letters letten, dan er door geletterd te zijn.
299  Zolang wij “tijd” niet beheersen, hebben wij met de klok mee te draaien.
300  Alleen door de tijd kunnen wij wijzer worden.
301  De tijd zal net zolang blijven tikken, totdat ze voor ons heeft te kloppen.
302  Het kasteel “ons buiten” staat in “het land van bedrog”.
303  Zo wij allen nog blind zijn, zo heeft ’t ook nog niemand op te vallen.
304  Dat wij geestelijke krachten tot onze beschikking hebben, is niet te geloven.
305  De ware liefde zoent niet, maar verzoent.
306  Liefde buigt zich niet, maar buigt mee.
 
Begeleidend schrijven aforismen.

Deze aforismen – bedoelt als ongekleurd te zijn en universeel - zijn in eerste instantie geschreven als een persoonlijke waarheid en behoeft als zodanig geen toelichting of inleiding, als de lezer zich er namelijk maar in kan her-kennen en mee kan identificeren. Voor zover dit nog niet het geval is zou ik de lezer graag op enkele punten willen wijzen zo hij toch kennis zou wil nemen van de inhoud.

Informatie op schrift, hetzij als leerstof bedoelt of voor ontspanning, zal bij hen die het in gedachten nemen een beeld oproepen die de schrijver voorstaat, ook al zullen deze beelden door een ieder persoonlijk weer gekleurd worden.

D.a.t. zijn deze aantekeningen van een ander gehalte. Zij zullen ook een beeld oproepen, maar niet het beeld wat de schrijver voorstaat.

Waarheid kan alleen in alle vrijheid geschreven en gelezen worden en niet te vatten als zij de ander wordt opgelegd. Waarheid functioneert voor een ieder zodra een ziel zich hiervoor open weet te stellen, o.a. door het woord waarin het is neergelegd. Het is dan ook niet het gesuggereerde beeld wat door het algemene denken wordt opgeroepen, maar de eigen waarheid die zichzelf daarmee in beeld weet te brengen.

Dat deze innerlijke activering een intensief denken met zich meebrengt hoeft geen betoog. Het is daarom raadzaam een aantekening meerdere keren te lezen en te overdenken voor men verder leest. Niet eerder dan dat het begrip er is, zal zich overeenkomstig een beeld vormen, waarbij zij opgemerkt dat “begrip”in deze zin anders moet worden gezien dan regulier gebruikelijk. Als leerstof gezien zal het nu eenmaal bij een aanduiding blijven als zijnde een verstandelijke bevatting, en heeft het bloot te staan aan het  keuringsvermogen van de lezer of het wel of geen zin heeft, of het wel of niet zinnig is dit in zijn of haar geheugen te willen opslaan.

In geestelijke zin zal het zich d.a.t. transcendent gaan voordoen en op bovenzinnelijk gebied het waarheidsgevoel daaraan te kennen geven. Dit laatste zal uiteraard niet direct op te brengen zijn, maar zo men maar enigszins ontvankelijk mocht zijn voor hetgeen men als aforismen leest, zal het begrip hiervoor zich vanzelf aankondigen. Is het vooralsnog niet mogelijk dit laatste te verwezenlijking, dan zal voorlopig blijken dat er nog de nodige zinnen onlogisch zullen voorkomen en de schrijver nog een te grote fantasie zal worden toegeschreven. Maar gezien het feit dat als men zover is gekomen om de tekst toch voor zichzelf te laten spreken, zal dit laatste dan ook waarschijnlijk niet tot een onoverkomelijk bezwaar worden.
Men moet niet vergeten dat het hier gaat om geestelijke zaken die zo mogelijk in woorden zijn gevat. Onze taal is gebaseerd op stoffelijke vormen die wij onze buitenwereld hebben opgelegd.

Datgene nu wat onder die oplegging leeft, gaat onze verwoording vooraf. Maar gezien wij nog geen begrip kunnen opbrengen voor hetgeen nog niet herkent is, zal het voor de mensheid voorlopig nog moeilijk zijn de geest in het algemene denken op te nemen. Dus ook te verwoorden. Kosmisch denken is nu eenmaal een denken dat niet alleen oog heeft voor het eeuwige maar ook voor de tijd. Zij wil met het eeuwige de tijd laten omvatten, omdat er dan juist de optimale mogelijkheid er is daarmee en daarin verstaan te worden. De zinsopbouw is mede hierdoor voor onze huidige begrippen niet altijd correct naarmate er bovenzinnelijke zaken er aan toegevoegd zijn. Het is een vorm, een vorm die men kan omvatten maar ook kan bevatten. Zij zal op deze wijze al meer voor ons mensen betekenen als naar wat zij zich in haar ongevormdheid heeft aan te dienen.

Wie zijn geest hierdoor leert kennen, leert ook het rechte in alle onredelijkheid en in het onlogisch zijn. Juist door het laatste leert men de werkelijkheid die aan onze eigen realiteit vooraf gaat. Men gaat niet alleen zijn wereld maar nu ook zijn denken rond zien, en bemerkt dat in alle onbegrijpelijkheden een reële wereld aan ten grondslag ligt. Het zal ons dan ook op weg helpen volledig mens te worden en te wezen zoals wij blijken te zijn.

De ontvankelijkheid die bij het lezen van dit werk wordt voorgestaan houdt niet in dat er wordt verwacht geen kritiek daarop te mogen hebben, integendeel. Gezond redelijk denken is zelfs voorwaarde, maar wel in die zin dat men zijn kritiek toetst en niet zoals men in het algemeen geneigd is, er mee te oordelen.

In dit verband wil ik graag aan diegene zeggen die hun kritiek als beroep hebben en gewend zijn hun sympathie of antipathie uit te spreken over beide kanten die nu eenmaal elke zaak betreffen: “waarheid vindt men altijd in het midden”.