vrijdag, november 16, 2018

                        Begeleidend schrijven formulering Wetten  

Het woord – naar rede gezien “het beeld”waarmee zij is geplaatst en ook weer dient om er door te worden opgenomen – houdt als zodanig deze betekenis zolang ze het verstand niet te boven gaat. Deze woorden - die onze omgangstaal vormen - zijn symbolisch, en hebben alleen de functie te vervullen om het beeld wat de ene mens ervan heeft over te brengen op de ander. Gezien dit laatste kunnen wij tevens stellen dat ze niet levend is, niet hoedanig en geen eigen kracht.

Toch is dit lang niet de functie die wij menen haar te moeten toekennen. Zij mag dan collectief gezien constructief zijn, op geestelijk intellectueel gebied verandert zij direct. Dan blijkt alles wat wij van haar in onze waarnemings- en voorstellingswereld te zien geven, een eigen psyche te hebben dat wel leeft, hoedanig is en zelfvermogend.

Zodra wij nu het vermogen hebben ons geestelijk ontvankelijk te maken en zodanig op het woord weten af te stemmen, dan heeft zich de werkelijkheid voor te doen haar waarheid – waarin het zich beweegt en door bewogen wordt – aan haar gelijkgestemden te openbaren.

De vraag die zich nu gaat voordoen, is “wat de zin van deze woordbeleving voor de mens in het algemeen te betekenen kan hebben”?:

De mens – innerlijk opgebouwd uit waarheid zal – al is het voor de meeste mensen nog onbewust – in deze stoffelijke wereld zijn eigen wezen weer hebben terug te vinden, om daarmee de eenheid van alle dingen te kunnen gaan inzien.

Om ons o.a. hiermee ons bewustzijn te kunnen gaan verruimen en te versnellen, hebben wij de ziel – ons persoonlijk krachtenveld – daarvoor te wekken. Wij hebben haar te wekken wil zij althans ons de mogelijkheid te her-kennen gaan geven in wie wij zijn met al het leven wat ons blijkt te omgeven. Dit zal gebeuren met ons fysiek, mentaal en gevoelsleven waarmee de ziel zich o.a. aan ons heeft te manifesteren. We kunnen, door een woord nu eens niet te lezen zoals te doen gebruikelijk, proberen ons er eens in te gaan verplaatsen; en nu eens niet te willen begrijpen maar er een eigen levendige voorstelling uit op te bouwen, gaan inzien dat de ziel het is wat ons te zien doet geven; dat de ziel het is wat ons doet gevoelen, en dat de ziel het is wat ons doet lezen wat er door ons moet worden verstaan.

De ziel en daarmee eveneens het woord heeft meer te openbaren dan ze ons in het algemeen doet vermoeden.

Om de weg daartoe enigszins vrij te maken is voor de ziel die zich hiervoor ontvankelijk kan stellen, dit werk mee tot stand gekomen. Voor hen die zich ervan willen overtuigen, blijft dit werk – wat uit waarheid naar waarheid geschreven is – nog een gesloten boek.

Ter verduidelijking van dit laatste zij het volgende gesteld:

Het onredelijke, om het zo te noemen van dit zinsgebruik heeft ten doel de rede te bewegen haar redelijkheid hierin op te geven en het verband te gaan zoeken in de causaliteit van haar werkelijke Zelf.

Het menselijk drama tekent zich hierbij tevens af, daar zij niet eerst het onlogisch aspect onder rede wil plaatsen – de onlogische gang van geestelijke zaken – maar door gelijk een voor haar logische opvatting tot mening wil brengen, waardoor “het tegengestelde” zich nu voor haar geest “als niet waarzijnde” haar verstand zal passeren, wat inhoud dat er geen mogelijkheid aan haar hoger Zelf wordt gegeven hier tevens aan het woord te kunnen zijn. Hieruit volgt dat onze geest rechtvaardig is ongeacht of wij dit nu al wel of nog niet zo kunnen zien.

Wat de mens nog niet kent zal hem ook niet hinderen.