vrijdag, november 16, 2018

HET LIEFDESSYMBOOL ZOALS HET IN WET UNIVERSEEL VOLMAAKT HEEFT TE TONEN EN INDIVIDUEEL NOG ONVOLMAAKT HEEFT TE ZIJN.

A – Aardse liefde in ge-weten. In deze context de minpool – door de zoon geplaatste Moeder.

B - Individueel ziel (gespiegeld).

C - Beeld van aardse liefde op grond van ge-weten.

D - Processen of werkingen van de gespiegelde ziel op grond van aantrekkingen en afstotingen van Vaderlijke en Moederlijke gedragingen.

E - Universele liefde in Weten. In deze context de pluspool – door de zoon geplaatste Vader.

F - Individuele ziel (ongespiegeld).

G - Toonbeeld van universele liefde op grond van Weten.

H - Processen of werkingen van de ziel op haar eigen gebied op grond van aantrekkingen en afstotingen van positieve en negatieve gedragingen.

I - Punt van evenwicht of evenaar tussen twee tegengesteldheden: het Vader en Moederlijk gezag. Keerpunt tot vernieuwing. Punt van gemeenschap tussen het mannelijke en het vrouwelijke. Plaats van in vernieuwing komende actie. Centrum tot proeve van het sublimatieproces. Integraal centrum voor eenheidsbeleving. Het oplossingsmiddel-punt. In deze context de zich in missie gestelde zoon. De middelaar: de centrale figuur tussen zijn voorstellingen of denkbeelden van de Vader en Moeder-Zelf.

J - Spanningswijdte of grens naar wat wij aan liefde hebben aan te trekken en af te stoten op grond van ons lager als op grond van ons hoger Zelf.

K - Het in conceptie zijnde. De baarmoederlijke ruimte. Plaats voor ovulatie. Het ovaal voor bevruchting. Het gebied voor twee-eenheidsstellingen. Alchemistische ruimte voor samenvoegende en samensmeltende elementen. Plaats voor het in verrukking en in vergeestelijking brengen van de cel of ziel.

L - De Al-omvattende kern van de hemelse Vader. Het in ons, door ons en voor ons als voorbeeld  van universele liefde in voorstelling betrokken zijnde.

M - De Al-inhoudelijke kern van de hemelse Moeder (heilige Geest).

N - Spiegelingen van heldere essentieën van universele liefde. Waarmakende ruimte voor het in punt “I” gestelde.

O - Lijn van integratie (zie sublimatiesymbool).

P - Lijn van vereenzelviging (zie sublimatiesymbool).

TEKEN VAN INDIVIDUELE LIEFDE (A)

TEKEN VAN UNIVERSELE LIEFDE (B

TEKEN VAN UNIVERSELE WET (C)

Vanaf “nu” kan de geestelijke eclips zich verder voltrekken. De actieradius van beide polen schuiven, naarmate de vereenzelviging en integratie zich voltrekken, in elkaar.  De polarisatie neemt gestadig af als de beide polen steeds meer in elkaar gaan overvloeien. Ze haken, net als twee tandwielen waarvan de ene naar links draait en de ander naar rechts, in elkaar.

Naarmate dit proces zich verder voltrekt, ontstaat er een steeds groter ovaal of kromming om punt “I”. Op dit punt en op deze ontwikkelingshoogte nemen we de geestelijke conceptvorming waar.  Er ontstaat nu de gelegenheid van beide polen om in elkaar bevruchtend te zijn. Door deze bevruchting zien wij in het spanningsveld een steeds grotere ontsluiting komen voor de geboorte van het “kind in ons”: het resultaat van al onze ervaringen en inspanningen.  Hier krijgen de twee-eenzijnde zelven een nieuw gezicht van de eenheid: het samenvallen van onze binnen en buitenwereld.

In het liefdessymbool zien wij tevens het sublimatiesymbool terug. Maar in deze context niet wat het voor ons heeft voor te stellen maar juist heeft op te roepen.  Ze laat in deze geometrie zien wat het voor “B” in zijn gang naar “E” in “I” op gang heeft te zetten. Het schept op dat punt n.l. de mogelijkheid om tot overeenkomst te komen tussen het in “A” gestelde geweten en in “E” gestelde Weten. Maar tevens zal er een spanningsveld worden ervaren door zowel het lager als het hoger Zelf in het nu tevens tot ontmoetingspunt verklaard zijnde punt  “I”.
Het hier te noemen sublimeringsproces laat zien dat er een brug wordt geslagen tussen twee bewustzijnsverschillen: het lager en het hoger bewustzijn. Het hieraan geformeerde lager en hoger Zelf zullen moeten worden gesublimeerd door juist daarvoor samen in interactie te zijn. Ze zullen beide op dit punt hebben op te heffen wat ze beide tevens in spanning hebben gebracht.
Om dit te realiseren wordt door hun gezamenlijk “A” als “geweten” in minpool gebracht  en “E” als Weten in pluspool. Op deze wijze is er controle van bestuur en beheersing. Het Zelf, zowel van “B” als van “E”, kan nu in “I” worden gerealiseerd.

Bij de tekens (blz. 53) vinden wij in “A” zowel de liefde (zwart gedeelte)  als de Wet (wit gedeelte) onvolmaakt in terug. Geen van beiden kan zich in “A” rond vinden. Ze geven zich dus individueel wel weer, maar met een in gebreken zijnde vorm. In “B” zien wij de universele liefde terug als een vol-ledige inhoud (zwart licht)  en in “C” de universele Wet als een vol-ledige inhoud (wit licht). Tevens geven zij hier aan, beide rond te kunnen zijn.  Al moet wel worden aangegeven dat “C” hier onvervuld is van “B” en “B” ongewettigd is van “C”. Hieruit volgt dat “C” niets kan openbaren dan alleen in gemeenschap met “B”, en “B” niets kan openbaren dan alleen in gemeenschap met “C”.
We gaan dus zien dat in “A” de mogelijkheid wordt geschapen om “B” en “C” in  gemeenschap (bevruchting) te laten komen. Het is dan ook niet verwonderlijk als we deze drie tekens terugvinden in het geometrisch “liefdessymbool”. Ze vullen elkaar aan totdat het uiteindelijk vervuld is, en uiteindelijk zelfs de geometrie doet vervullen en op laat gaan in het Al-Eene.