vrijdag, november 16, 2018

Het harmoniseren en verenigen d.m.v. de universele liefde van ons innerlijk met ons uiterlijk wezen, zal haar bekroning vinden in het volkomen "helder zijn" van elk wezensdeel dat vanaf heden tot onze verdere evolutie, als het "eigen zijn" aan ons ten grondslag heeft te liggen. Om deze vereniging in aanleg al enigszins gestalte te geven, volgt hier het sublimatiesymbool.

                                                               SUBLIMATIESYMBOOL (VERKORT).

                                                            Een te noemen kristallisering van de oplossing.

        

Linkerhelftsymbool                                         Rechterhelftsymbool
Zoals het wordt gezien door het                      Zoals het wordt gezien door het
bewustzijn van het lager zelf.                          bewustzijn van het hoger Zelf.

A - Het geweten; subjectief in innerste zijnde geweten.
B - Lager zelf; objectief in uiterste zijnde geweten.
C -  Psychische werkingen van het lager zelfbewustzijn.
D - Hoger Zelf;  subjectief in innerste zijnde Weten.
E - Kosmische uitslag van de inslag; in uiterste gebracht zijnde objectieve Weten.
F - Kosmische werkingen van het hoger Zelfbewustzijn.
G - Lijn van de vereenzelviging.  B - D
H - Lijn van de integratie. B – E

Zo zien we bij vereenzelviging op fysiek-etherisch * niveau, op lijn "G" een samenhang ontstaan van het "objectief in uiterste zijnde fysiek-etherisch geweten" met het "subjectief in innerste zijnde fysiek-etherisch Weten".
En bij integratie, op lijn "H" een tweedracht ontstaan van het "objectief in uiterste zijnde fysiek-etherisch geweten" met het "objectief in uiterste zijnde fysiek-etherisch Weten".
Met dit bovenstaande als gegeven zien we bij integratie een natuurlijke afstoting ontstaan tussen twee gelijk gepoolden; Daar aan tegen  bij vereenzelviging een natuurlijke aantrekking door twee ongelijk gepoolden.  Om het integratieproces toch te laten doorgaan, zal "B" zich dienen om te polen door niet meer objectief maar "subjectief te denken in uiterste zijnde geweten".
Dit betekent dat naargelang wij het geloof in onze Goddelijke bron om kunnen zetten
(alchemeren) in Weten, wij onze buitenwereld steeds meer door onze binnenwereld kunnen laten aantrekken.

Zo het bovenstaande dus geldt voor bewustwording van ons fysiek-etherisch wezen, zo heeft het evenzo te gelden voor het astraal en mentaal wezen.
Zo zien wij bij vereenzelviging op astraal niveau, op lijn "G" een samenhang ontstaan van het "objectief in uiterste zijnde astrale geweten" met het "subjectief in innerste zijnde astrale Weten".  En bij integratie, op lijn "H" een tweedracht ontstaan van het "objectief in uiterste zijnde astrale geweten"  met het "objectief in uiterste zijnde astrale Weten".

Zo zien we bij vereenzelviging op mentaal niveau, op lijn "G" een samenhang ontstaan van het "objectief in uiterste zijnde mentale geweten" met het "subjectief in innerste zijnde mentale Weten".  En bij integratie op lijn "H" een tweedracht ontstaan  van het
"objectief in uiterste zijnde mentale geweten" met het "objectief in uiterste zijnde mentale Weten".

* Gezien het feit dat ons etherisch wezen deel uitmaakt van de drie overige ons bewustzijnde aggregatietoestanden - te weten: vast, vloeibaar en gasvormig - worden de ethers o.a. bij fysieke inwijding gelijktijdig mee ingelijfd. Inwijding omvat altijd het gehele wezensdeel- te weten:  vast, vloeibaar en gasvormig;  4e, 3e, 2e ether en het sub-atomische.